oneindig beter dan in het eerste. Intusschen zal de mededeeling van eenige v ver¬
klaringen uit die beide geschriften, welke. ik onmiddellijk achter elkander gepliamatst
heb, den lezer in staat stellen, om door onderlinge vergelijking zich te overtuügigen,
hoe Erasmus in- het verbeteren en uitbreiden van het vroeger geschrevene iisis te
werk gegaan: en hoe dus, gelijk boven gezegd is, het werk der Adagia het jjuiuiste
middel is om Erasmus in zijne steeds toenemende geestesontwikkeling te kummnen
gadeslaan.
De uit beide die werken afgeschreven adagia heb ik, om het gebruik van mmijn
boek eenigzins gemakkelijk te maken, gemeend liever in alphabetische ordlele te
moeten rangschikken, met vermelding van de plaats waar zij gevonden worrdeden,
dan op den voet de orde te volgen, waarin ze door Erasmus zijn ter neder r ge¬
schreven, juist: zoo als ze hem voor den geest kwamen en dus meestal buiten æesenig
onderling verband 1): immers, al waren ze daar ook allen — hetgeen slechts; r met
weinigen het geval is — in verband met elkander geplaatst, dan zou dit vertbeband
toch noodzakelijk- verbroken zijn ten opzichte van die enkele plaatsen, welke d door
mij uit het geheel zijn uitgelicht. Die alphabetische orde valt natuurlijk `wweg,
wanneer soms twee adagia, waarin op hetzelfde spreekwoord gezinspeeld wcorordt,
onder één nummer door mij vereenigd zijn. Zoodanige vereeniging scheen n mij,
voor mijne -bewerking verkieslijker toe, dan in herhalingen te moeten vervailldlen,
indien het tweede adagium naar die plaats werd teruggebracht, waar het iinin de
alphabetische orde zoude behooren.
Bij de aanhaling der Grieksche en Latijnsche schrijvers heb ik geene meoeoeite
gespaard, hoe groot die ook soms zijn mocht, om de plaatsen op te zoeken, emn —
1) Met opzet heeft Erasmus, in de plaatsing der adagia, geen bepaalde orde gevolgd ; integendeell bl heeft
hij zich zelfs afkeerig getoond van eene rangschikking in Loci Communes, waarin de Chiliades, zcoaoo als
wij boven gezien hebben, door latere uitgevers versnippert zijn. Hij laat zich daarover aldus uit,, ir in de
verklaring van het adagium Herculei labores (III. 1. 1.): Videbam et ordinem nonnullum induci ypoposse,
si similium, dissimilium, contrariorum, confiniumque rationem secutus, titulos quam plurimos yprpropo¬
suissem, et unumquodque proverbium, velut ad suam classem retulissem. Verum hune prudens comomisi ,
partim quod in huiusmodi miscellaneis hoc ipsum mihi videretur, nescio quo pacto decere, si nulluss as adsit
ordo: partim quia videbam, si omnia eiusdem sententiae, velut in eandem classem infulsissem , furtuturum
ut ex aequalitate lectori taedium oboriretur, ac subinde nauseans clamaret illud, Ais xp&uBn Oaxvotvaros,
xal “O Abs Kdpiv9és dot èv tä filo. Partim quod me deterruerit magnitudo laboris. Cur enim menntintiar ?
Perspiciebam id fieri non posse, nisi tutum opus denuo, a capite usque ad calcem retexuissem,, n neque
cogitandum de editione, nisi iam supremum illum colophonem addidissem, ut vere iam opus fuutwturum
fuerit Horatiano novennio. At nune licuit etiam inter edendum adiungere, si quid occurreret indliglignum
quod praetermitteretur. Ten gerieve van hen, die de adagia van gelijke of verwante of tegenovergeestestelde
beteekenis, welke in de Chiliades verspreid staan, achter elkander zouden wenschen te lezen, diéenient de
Index Proverbiorum iuxta locos, welke aan de meeste uitgaven is toegevoegd. Dat dezee se door
Erasmus zelven vervaardigd is, blijkt uit de Opdracht aan den Engelschen edelman Guilh. Monttiatioius,
waar hij zegt: Ordinis vice, si modo ullus in his ordo, substituimus Indicem, in quo proverbia,, «, quae
veluti consimilis monetae, confiniaque videbantur, in suam quaeque tribum digessimus.