zoo) als de geest van den tegenwoordigen tijd dit vordert — deze nauwkeuriger
aann te wijzen dan Erasmus dit, overeenkomstig de gewoonte van zijnen tijd, gedaan
hadd. Enkele malen heb ik ook wel eens betere lezingen gevolgd, doch over het
algeermeen ben ik daarin zeer spaarzaam te werk gegaan, omdat ik meende dat het
ongeeypast zou wezen, eene tekstverbetering, die van later vinding was, onder de
wooorrden van Erasmus op te nemen en daardoor de lezers in den waan te brengen ,
als cf die betere lezing reeds zooveel vroeger ware bekend geweest. Had ik zulke
verkkceerde opvattingen willen voorkomen, dan ware het noodig geweest aan den
teksstt van Erasmus eene Aanteekening toe te voegen, waarin ik dan ook“ niet zou
hebbb»en kunnen nalaten, somtijds aan te wijzen, dat een of ander Grieksch woord
verkkeeerdelijk was verklaard. Zoodanige taak wacht op hen die het nog eens zullen
onddexrnemen eene nieuwe uitgaaf van de Adagia in het licht te geven. 1)
DDee Latijnsche vertaling, door Erasmus aan de Grieksche door hem aangehaalde
D)
plaaattsen toegevoegd, ut intelligi duntaxat possint ab his qui Graece nesciunt, ?)
gelijijkk hij zelf gezegd heeft (I. 7. 70), heb ik behouden, al bestond daarvoor thans niet
meeerr diezelfde reden. Ongaarne zelfs zou ik ze hebben willen weglaten, wanneer het
plaaattsen uit dichters waren. Deze toch heeft Erasmus meestal in hetzelfde metrum 3)
1) ) IDe wensch om nog: eens eene nieuwe uitgaaf van de Adagia te zien verschijnen, werd reeds voor
meer r cdan twintig jaren uitgesproken door Duplessis, in zijn straks te vermelden werk, p. 20, waar hij,
na zizijjne ingenomenheid met dit geschrift betuigd te hebben, zich aldus uitlaat: Plus d’une fois j'ai
forméié le voeu de voir la presse de nos jours reproduire, dans un format commode et portatif, un livre
que jcjee crois indispensable dans toute bibliothèque bien composée. Une révision attentive des textes cités
par FEïrasme, et quelques courtes notes suffiraient pour mettre cet ouvrage tout-à-fait au niveau des con¬
naissasannces actuelles. Je suis même étonné, je Vavouerai, que Allemagne, bien moins oublieuse que
nous ; cdes travaux de ses devanciers, n’ait pas encore songé à donner aux bibliothèques modernes une
nouvejellle édition des Adages. O'eût été là, selon moi, un véritable service rendu à,la science philolo¬
gique e cet à l’histoire de la civilisation.”
2) ( Over de noodzakelijkheid om in zijne eeuw de algemeene onbedrevenheid int het Grieksch te moeten
te hululýp komen, heeft Erasmus zijn leed betuigd in de vroeger genoemde Opdracht aan Montioius, waar
hi) zegegst: Graeca, quae citamus, omnia ferme Latine reddidimus, haud nescii, cum praeter veterum con¬
suetuddiinem id esse, tum ad orationis nitorem inutile: sed nostri temporis habuimus rationem. Atque
utinammı Graecanicae literaturae peritia sic ubique propagetur, ut is labor meus tanquam supervacaneus
meritoto) contemnatur. Sed nescio quo pacto sumus ad rem tam frugiferam cunctantiores, et quamvis erun
| ditioniniss umbram citius amplectimur quam id sine que nulla constat eruditio, et a quo uno disciplinarum
omniunnm simceritas pendet.
3) ( Carminum, quorum hic infinita vis incidit, zoo vervolgt hij in de genoemde Opdracht, suo quodque
metri i genere reddidimus, pauculis admodum exceptis, nempe Pindaricis aliquot Choricisque, quod ridi¬
culae > ccuiusdam anzietatis videbam fore, si totidem syllabis ea reddidissem: rursum ineptum, si diversum
|e promaxima serie genus voluissem assuere. In reliquis autem, quod ad metri legem attinet, rarius quidem,
| sed tctaamen aliquoties, nobis idem permisimus, quod sibi permiserunt autores, a quibus ea mutuamur :
velut ` iin Aristophanicis trimetris anapaestum in paris numeri locis: in Homericis hexametris petovpov,
ac sylylllabae finalis ectasin in prima cuiuslibet pedis arsi, et si qua praeterea sunt huiusmodi. Quod ideo