OCR
V denn Nederlandschen Spreekwoordenschat het hunne kunnen bijdragen, zijn wij alleen aanin Erasmus verschuldigd. DDroch de grootste verplichting, die wij in dit opzicht aan Erasmus hebben, bestaæ@ait wel hierin, dat hij ons in zijne Adagia geleerd heeft, eenen ruimen blik te slamam in de opvatting van hetgeen in het dagelijksch leven door het volk gesproken worordt, en ons niet te hechten aan hetgeen slechts in eigenlijken zin door de woorden worordt aangeduid. Volgens hem toch treedt een spreekwoord dan pas in het ware lichihtt, wanneer het niet alleen op zich zelf eene waarheid bevat en voor een enkel gevevail geldig is, maar wanneer het, in overdrachtelijken zin gebezigd, op ontelbąre omsasttandigheden kan worden toegepast, en bovenal wanneer het van de zaken op denn geest kan worden overgebracht. Vandaar dat hij zoo menigmaal zegt: Haec fienmtt venustiora et rapamiodtotepa, si ad animi res transferantur. — Quo longius eritit. detorta metaphora, hoc erit adagium venustius. — Plurimum venustatis obtitimebit hoc, si ad res incorporeas deflectatur. -— Fit lepidius, quo magis ad amivimmi res transfertur. — Erit elegantior sententia, si traducatur ad res animi. — Quo: longius a rebus corporeis recedet metaphora, hoc erit venustior. — Plusculum accecedit Veneris, si ad animum transferatur. Bedenken wij dus steeds dat de gezezonde verklaring, die Erasmus aan eenig Grieksch of Latijnsch adagium heeft toegegeevoegd, natuurlijk ook in zijnen vollen omvang past op het Nederlandsche Sprereekwoord hetwelk hi bedektelijk heeft aangeduid. HHet vrij aanzienlijk getal Nederlandsche Spreekwoorden, hetwelk thans door mij aanmgjewezen is als uit de Adagia in het ware licht gesteld, geeft mij het recht, 200 0 ik meen, op de Verdiensten van Erasmus ten opzichte van de Nederlandsche taalal te mogen wijzen, al heeft ook tot dusverre niemand van zijne landgenooten daararcover zelfs met een enkel woord gerept. WWiel heeft reeds de voormalige Heidelbergsche bibliothecaris Eiselein, zonder evemnwel op die verdiensten gewezen te hebben, de aandacht er op gevestigd, dat in de Adalagia eenige plaatsen voorkomen, waarin op moderne. Spreekwoorden gezinspeeld worerdit. In de Inleiding op zijne Sprichwörter und Sinnreden des deutschen Volkes in a allier und neuer Zeit (Freiburg, 1840) p. xxvi, zegt hij: „Erasmus, so wenig »@r c auch mit neueren Sprachen und Gebräuchen vertraut war, hat denn doch in »Seieimem Werke circa 100 der deutschen Sprichwörter bei schiklichen Anlässen in „Seieimer lateinschen Manier angebracht.” Doch wanneer die schrijver van honderd zooddianige passages spreekt, dan heeft hij dit cijfer slechts bij raming bepaald; wantnt. in zijn werk zelf worden niet veel meer, dan de helft met enkele woorden aanggehaald. NNa Eiselein heeft Latendorf, zelfs met eenige uitvoerigheid, op die merkwaardigese plaatsen in Erasmus gewezen; waarbij hij tevens beweerd heeft, dat de Nederlandiders het zoowel aan hun vaderland als aan hunnen grooten landgenoot verplicht warerem de Nederlandsche Spreekwoorden uit het werk van Erasmus op te zamelen.