OCR
VIII zamelen van die plaatsen, waar hij dit wel gedaan heeft, en deze, voor zooverrre zulks mogelijk was, toe te lichten uit andere, meest nieuwere, geschriften. Hoe ik hierbij te werk gegaan ben en welke letterkundige hulpmiddelen 1 mij daarbij van dienst geweest zijn, zal ik nu gaan vermelden. Aangaande de manier van bewerking meen ik den Lezer de volgende inliichtingen verschuldigd te zijn. Vooreerst dan heb ik uit het groote werk der Adaggia al die plaatsen, waarin Erasmus op een Nederlandsch Spreekwoord gezinspeeeld heeft, woordelijk afgeschreven. Daarbij heb ik gebruik gemaakt van de Bazelseche uitgaaf van 1559 F°. (pp. 1071) welke in zuiverheid van tekst niets te wensckhen overlaat en waarin al de adagia voorkomen, die de laatste door Erasmns herzidene uitgaaf (Basileae, 1536. F°.) bevat, afgedeeld in Duizendtallen (Chiliades) en ddeze weder in Honderdtallen (Centuriae); niet, zoo als zij in latere uitgaven, ddoor anderen onder zoogenoemde Loci Communes gebracht zijn, met inlassching vvan eenige daarbij te pas gebrachte plaatsen uit werken van andere schrijvers die> op gelijke wijze als Erasmus over dit onderwerp geschreven hebben. 1) Aan zulk eeene 1) De verschikking van de Adagia in Loci Communes, die in vele volgende edities overgegaann is, werd het eerst bewerkstelligd door den Heidelbergschen Godgeleerde Ioan. Tac. Grynaeus. Zijne uititgaaf heeft den titel van Des. Erasmi Roterodami Adagiorum Chiliades iuxta Locos Communes digestae. Quibus Hadriani Iunii — — et aliorum quorundam paroemiographorum adagia eodem ordine descripta subiuncta sunt. Aureliae Allobrogum, Sumptibus Caldorianae Societatis M.DCVI. F°. (Column. 1984. praet. Ind.) en is door hem met eene Epistola Nuncupatoria aan Reinh. a Syckingen opgedragen. Aangaandde de inrichting van dit boek laat hij den Typographus aldus spreken: Curavimus itaque , ut huic noostrae editioni, Paroemiographi recentiores, quoscunque habere et inquirere potuimus, adiungerentur. Ac t totum hoc ista ratione et lege, ut contra quam hactenus factum est, nempe, ut primum ipsae Chiliades Eraasmi, deinde aliorum adagia sequerentur, nos Erasmi adagia cum aliorum paroemiis, et ea quidem naon in Chiliades, sed in Locos Communes redacta, coniunximus. Nos enim valde utile futurum omnibus stuadiosis iudicavimus, omnia quae ad unum locum pertinent adagia uno intuitu post percurrere, potius quamm hinc inde colligere. Verumenimvero, ne quis vel aliorum diligentiae quicquam detractum queratur, itda singulorum mapotuatoypápa» adagia distinwimus, ut Erasmicis Erasmi nomen. aliorum vero, sua nommina, praeposuerimus. De latere geschriften, waaruit men hier Proverbia iuxta Locorum Communium seseriem, Erasmicis suo quaeque ordine, auctoris nomine praeposito, subiuncta , deels in hun geheel deels: biþij verkorting aantreft, zijn, behalve de Animadversiones Henr. Stephani, die geheel achteraan staman, de volgende: Hadriani Iunii Adagiorum centuriae octo cum dimidia; Ioan. Alexandri Brassbicani proverbiorum oimpixta; Ioan. Ulpii Adagiorum epitome; Gilberti Cognati Adagiorum survAoy4; Hiusdem Cognati nova Adagiorum appendix ad suarum Paroemiarum Syllogen; Adagia quacdelam ex Coelio Rhodigino; Adagia selectiora ex opere Polydori Virgilii; Ex Proverbiorum libro PPetri Godofredi I. C.; Paucula proverbia Caroli Bovilli; Ex Hadr. Turnebi, M. Ant. Mureeti et aliorum scriptis, quaedam Adagiornm miscella; Adagia aliquot e iure scripto, et variis eius interpretetibus, a Gul. Gentio I. C. collecta; Specimen quoddam Adagiorum, quae ab Iunio, Canthero et CGiselino partim collecta sunt et constituta, partim adhuc colliguntur; Adagia aliquot Melchioris NNeipii Bredenani, nunquam antehac edita. Voor het -grootste gedeelte mogen deze schrijvers gerekend wworden