OCR
XXX kunńen antwoorden door den loop der zaak aldus voor te stellen. Deze Verzameling, die met het kennelijk doel, zoo als ik mij thans overtuigd houd, vervaardigd werd om bij het Onderwijs in de Latijnsche taal gebruikt te worden, is waarschijnlijk in den eersten tijd gedicteerd aan de leerlingen, die daarin, zoo als licht te begrijpen is, honderden fouten zullen geschreven hebben. (Iets dergelijks zullen wij later van andere soortgelijke schoolboekjes (n. 40 en 86) bepaald aangeteckend vinden). Toen zij voor de eerste maal ter perse kwam, was de vervaardiger waarschijnlijk reeds lang overleden, zoodat zij zonder diens toezicht en naar een foutief dictaat is gedrukt geworden. Voor de latere uitgaven, die deels meer, deels dezelfde fouten hebben als de eerste, zullen wellicht anderẹ, doch even foutieve exemplaren ten grondslag gelegen hebben. In later jaren is dit boekje, dat, blijkens zijne menigvuldige uitgaven, vrij algemeen schijnt gebruikt te zijn, in vergetelheid geraakt, verdrongen wellicht door andere dergelijke hulpmiddelen; vooral door den arbeid van Bebelius (n. 27.) en Tunnicius (n. 31.), die het hebben omgewerkt, ieder op zijne manier: de eerste, door de versus leonini in draaglijk proza, de ander door ze in betere Latijnsche verzen over te brengen. Dat ook nog Zegerus (n. 52.) en Gartnerus (n. 59.) in hunne geschriften veel uit de Proverbia Communia hebben overgenomen, is reeds in de genoemde Verhandeling door mij aangewezen. Thans kan ik ook Buchlerus a Gladbach daarbij voegen, wiens Gnomologia (Coloniae, 1639. ed. 42.) eerst onlangs in mijn bezit gekomen is en dus voor dit geschrift nog niet heeft kunnen gebruikt worden. In 1854 heeft Hoffmann yon Fallersleben de Proverbia Communia, waarvan de exemplaren, in weerwil van de menigvuldige uitgaven, hoogst zeldzaam geworden zijn, voor ieder toegankelijk gemaakt door ze te laten overdrukken in het IXe deeltje van zijne Horae Belgicae. Jammer echter, dat hij eene der meest bedorven uitgaven ten grondslag gelegd heeft en ook deze niet eens getrouwelijk heeft teruggegeven. Waar dit boekje door mij aangehaald wordt, is de Delftsche uitgaaf van 1495 gevolgd, welke mij gebleken is de beste te zijn. 24, Prouerbia metrica et vulgariter rytmisata Magistri Johannis Fabri de Werdea Utriusque iuris baccalarii Collegii principis alme uniuersitatis famosissimi studii Lipczensis collegiati Nec non eiusdem insignis studii secretarii. (Sine loco vel anno et sine nomine typographi.) [NOPITSCH, p. 179. DUPLESSIS, n. 113, 27 Dit is de titel van een hoogst zeldzaam kwartijntje van 80 bladzijden met Gothische letters gedrukt, waarvan de Berlijnsche Bibliotheek een exemplaar bezit, afkomstig uit de boekerij van De Meusebach. In eene vooraan geplaatste aanteekening — welke door Hoffman von Fallersleben in de Weimarische Jahrbiicher D. II. p. 183 overgenomen is, doch zonder aanduiding van de bron, waaruit hij die geleerdheid geput heeft — is door dien vorigen eigenaar, om aan te duiden, waar en door wien dit boekje gedrukt was, verwezen naar Panzer’s Annal. typogr. Vol. I. p. 503. Dit behoeft echter niet twijfelachtig te wezen, indien men slechts let op het Drukkersmerk, dat op de laatste bladzijde geplaatst is. Door vergelijking met andere incunabula, die dit zelfde drukkersmerk hebben tegelijk met den naam des drukkers, is het wel zeker, dat hier moet gedacht worden aan Martinus Herbipolensis, die in Leipzig als drukker gevestigd, in de 15e en 16e eeuw zeer veel Latijnsche boeken heeft uitgegeven , onder anderen ook: Propercii Umbri Elegiographi Calorum libri quatuor. Ex officina Martini Lantzpergerts Herbipolensis, civis et Baccalarii Liptzensis. 1495. 4°. waarin dit zelfde drukkersmerk gevonden wordt, doch meer afgesleten dan in de Proverbia metrica. Daaruit mag met grond worden afgeleid, dat de Proverbia reeds vroeger en dus véér 1495 zullen gedrukt zijn. — Hetzelfde drukkersmerk wordt thans nog, (slechts met bijvoeging van eene ruggelings aaneengekoppelde L en F) gebezigd op de Catalogi die door de boekhandelaars List en Franck te Leipzig worden uitgegeven. De naam van den schrijver is niet Faber, maar Fabri, gelijk hij door Jécher in v. en door Fabricius in Biblioth. mediae et inf. Latinit. L. VI. p. 416 genoemd wordt. Het best blijkt dit uit den titel van het door Panzer l. c. p. 503 n. 336 opgegeven werkje: