OCR
XXIII Brunsy. 1727. 8°.) en C. P. Konz, Nicod. Frischlinus, der ungliickliche Gelehrte und Dichter (Francf. u. Leipzig, 1792. 8°.) 15. Macropedius, eig. Van Langhveldt geheeten, die uit ’s Hertogenbosch afkomstig was en volgens Saxe, Onom. Lit. III. p. 235. in 1558 overleden is, heeft dertien Latijnsche tooneelstukken voor de leerlingen van zijn Gymnasium opgesteld en uitgegeven. Daarover is al het wetenswaardige bijeengebracht door den verdienstelijken, nu onlangs wegens ouderdom afgetreden Utrechtschen Rector Dr. A. Ekker in zijne Verhandeling over de Hieronymusschool te Utrecht. le Ged. p- 25 en 44 sqq. (Utrecht, 1863, 4: Van zijn voortreffelijk onderwijs getuigt Burman in zijn Traiectum Eruditum p. 200. Ex eius disciplina et ludo literario omnes fere Batavi, qui eo tempore doctrinae laude floruerunt, prodierunt. 16. De laatstgenoemde, Schonaeus, die volgens Saxe, Onom. Lit. TII. p. 462. Van Schoon zou geheeten hebben, was te Gouda geboren in 1541 en heeft eenen zeventigjarigen leeftijd bereikt. Van hem bestaan zeventien Comoediae sacrae Terentiano stylo conscriptae, welke herhaaldelijk te zamen zijn uitgegeven onder den titel van Terentius Christianus. In hoe hooge achting deze stukken weleer gestaan hebben, kan daaruit blijken, dat zij o. a. op de Thomasschule te Leipzig de lectuur van den echten Terentius verdrongen hebben tijdens het bestuur van Jac. Thomasius, die van 1676—1684 Rector geweest is. Dit misbruik is eerst afgeschaft door Jo. Matth. Gesner, die van 1730— 1734 aan het hoofd van die inrichting gestaan heeft. Zie Gottfr. Stallbaum, Die Thomasschule zu Leipzig. Hine Sdcularschrift. (Leipzig, 1839) p. 44 en 54 en de aldaar geciteerde Isagoge van Gesner ad § 119. T. I. p- 115. ed. Niclas. De dichterlijke talenten van Macropedius en Schonaeus, die Nederlanders waren, worden besproken door Peerlkamp, De vita, doctrina et facultate Nederlandorum, qui carmina latina composuerunt. (Harlemi, 1838. 8°.) p. 61 en 226. Over het Opvoeren van Latijnsche tooneelstukken door studenten of leerlingen yan Gymnasia, hetwelk in Luther en Melanchthon groote voorstanders moet gehad hebben, bestaat eene geleerde verhandeling van onzen landgenoot Dr. Schotel, getiteld Het Schooldrama, welke het IVe Hoofdstuk is van zijne Tilburgsche Avondstonden (Amsterdam, 1850. 8°.) p. 217—332. Later werd dit onderwerp in Duitschland meermalen besproken, o. a. door Dr. Heiland, Ueber die dramatischen Aufführungen im Gymnasium zu Weimar. Fin Beitrag zur Geschichte der Schulcomüd (Weimar, 1858. 4°.) Dr. Sträumer schreef Beiträge zur Geschichte der Schulcomédie in Deutschland (Freiberg, 1868. 4°.) en Theod. Paur die Schuleomidien des Rectors Samuel Grosser in Qörlitz zu Anfang des 18 Jhrh. in: Neues Lausitzisches Magazin 43er Bd. (Görlitz, 1866.) p. 112— 134. In Engeland houdt nog de gewoonte stand, dat omstreeks den tijd van het Kerstfeest, stukken van Terentius vertoond worden, met nieuw vervaardigde Prologi en Epilogi, waarin dan meestal de voornaamste gebeurtenissen van het afgeloopen jaar of andere belangrijke aangelegenheden van den dag op meestal geestige wijze, ter sprake gebracht worden. Een vrij uitvoerig verslag van de in 1871 opgevoerde Andria vindt men in «the Standard, December 22, 1871.” En zoo heeft men in 1872 de Adelphi vertoond; waarvan een gelijk verslag is medegedeeld in "the Standard, December 20, 1872.” Hoeveel stof ter behandeling zich zou aanbieden, indien iemand een Verslag zou willen leveren van de Latijnsche Dramata Scholastica, die in de drie laatst verloopen eeuwen in druk verschenen zijn, kan men eenigszins hieruit afleiden, dat ik meer dan tweehonderd namen van scriptores scenici zoù kunnen opgeven. Van dezen hebben wel sommigen slechts een enkel stuk geschreven, doch van de meesten zijn soms tien en meer stukken bekend Hetgeen de tot dus verre genoemde geschriften mij opleverden, heb ik in de rij mijner aanhalingen vooraan geplaatst, zonder dat ik daarbij steeds de tijdsorde kon in acht nemen, waarin zij vervaardigd zijn, omdat van de meesten dier