OCR
XXII Van dezen dichter, wiens naam in ’t Latijn dudoénus geschreven wordt, verhaalt men, dat hij door armoede gedrongen is geweest schoolmeester te worden, eerst te Cryleigh, later te Warwick, en dat hij in behoeftige omstandigheden in 1628 te Londen overleden is. In de Historia et Antiquitates Oxonienses L. XI. p. 143. vindt men deze merkwaardigheid door Ant. W ood opgeteekend, dat John Owen door eenen rijken oom, op wiens nalatenschap hij stellig gerekend had, geheel onterfd is, alleen om dat hij dit Epigram gemaakt had: An Petrus Romae fuerit, sub iudice lis est; Simonem Romae nemo fuisse negat. In weerwil echter van onderscheidene dergelijke schimpschoten op de Geestelijkheid zegt men, dat zijne gedichten zelfs in Italie in zeer hooge achting geweest zijn; en hoe zijne landgenooten over hem dachten, blijkt uit een alleraardigst Anagram, dat een kunstbroeder vervaardigd heeft. Uit Loannes Audoénus namelijk verplaatste hij de letters 266, dat daaruit te voorschijn kwam: Ad annos Noé vives; doch hij voegde er dadelijk dit Distichon bij: Nominis hoc Anagramma tui de te puto falsum; Verum de libris auguror esse tuis. De genoemde gedichten — wier aantal natuurlijk nog zeer had kunnen worden vermeerderd — hebben mij eene aanzienlijke menigte spreekwoorden opgeleverd , waarvan ik betrekkelijk veel hier heb kunnen plaatsen. Een nog rijker oogst echter heb ik mogen inzamelen uit eenige Dramata Scholastica, d. i. Latijnsche tooneelspelen, zoo als die in de XVI° en XVII: eeuw, en ook nog wel later, vervaardigd zijn om door studenten of leerlingen der Gymnasia gespeeld, te worden; welk soort van geschriften, die zeer groot in aantal zijn, thans nog als een onbebouwde akker verlaten ligt, maar een gezet onderzoek overwaardig schijnt. Aan elk, die zich verwaardigen wil, studie van deze stukken te maken, zal het spoedig blijken, dat zij eene rijke bron zijn, waaruit men, behalve de volksspreekwoorden , ook nog veel aangaande de zeden en gebruiken en de algemeene beschaving van de landen en tijden, waarin zij vervaardigd werden, zal kunnen leeren kennen. Zoodanige tooneelspelen schreef in Duitschland de in vele opzichten merkwaardige maar ook beklagenswaardige Tubinger geleerde, Nicod. Frischlinus; in Nederland de Utrechtsche Rector Georg. Macropedius en de Haarlemsche Rector Corn. Schonaeus. Al deze stukken — ook nog in dit opzicht merkwaardig, omdat ze geheel en al in den stijl en geest van Terentius, en zelfs zeer dikwijls met diens eigen woorden, vervaardigd zijn — zijn bij herhaling gedrukt en werkelijk ten tooneele gevoerd. Het hier genoemde drietal behoort zonder twijfel tot de meest verdienstelijke dramatische dichters van later tijd. Over elk hunner moge hier een enkel,woord voldoende zijn. 14. Frischlinus, een Wurtemberger van afkomst, die volgens Saxe in Onom. Late LL: p- 497, in 1547 geboren was en in 1590 een treurig levenseinde gehad heeft, schreef, behalve andere letterkundige werken, zes Latijnsche comoediae en twee tragoediae, terwijl later nog eene comoedia posthuma, Phasma getiteld, op zijnen naam verschenen is. Aangaande de wederwaardigheden van dezen man en zijne uitstekende talenten als geleerde, verwijs ik naar de schriften die door Saxe zijn aangehaald; waaraan nog zal Ly kunnen toegevoegd worden: C. H. N. Lange, Frischlinus vita, fama, scriptis ac vitae exitu memorabilis. (Jenae, 1725. 8°. Iterum cum variis Observatt. et praefat. Moshemii,