OCR
XIX LXXXIX. 249. 253. 321. LXXX, 20. 32. 44. LXXXI. 61. 102. LXXXII. 47. 49. 52. LXXXV. 11. 14, 17. ILXXXVII. 125. XC. 40. 42. 51. 67. 73. 170. XCIV. 86. 89. 95. XCVI. 149. 245. XCVII. 360. XCIXX, 146. 234. 236. 261-263. CII. 229. CIII. 8. 13. 34. CIV. 20. 111. 176. 177. OV. 25. CVI. 39. 211. | 224, 252. CVII. 56. CVIII. 102. 105. CIX. 4. 165. 238. CXI. 6. 100. CXII. 57. 109. 117. 120. OXIITI. 68. 71. CXIV. 53. 83. 87. 97. CXVI. 93. 122. 189. CXVIL. 4. 43. 71. 75. 96. CXVIII. 26. 69. 93. 1156. 158. CXIX. 44. 65. 104. OXX. 15. 84. 134. Béehalve deze stukken heb ik ook nog eenige andere letterkundige voortbrengselen Yan vroeger eeuwen doorloopen; doch de schrale oogst heeft mij genoopt het verdder onderzoek te staken. Ik beweer niet, dat in die geschriften niet hier en ddaar spreekwoorden worden aangetroffen, maar het waren niet zoodanige, die mij ` voor mijn doel konden dienstig zijn. Zoo vond ik b. v. in den Roman van Wallewein wel spreekwoorden in de volgende verzen: 165. 693. 1987. 2120. 2301. 24644. 3385. 5144. 5897. 6564. 6965. 6967. 6971. 7192. 7390. 7410. 8989. 9122. dochh van deze allen heb ik geen enkel kunnen gebruiken. Vaan de Latijnsche Spreekwoorden, die in de Middeleeuwen in zwang waren, zijn nog slechts weinige in de laatste veertig jaren door eenige Geleerden in het lichtt gegeven; welke, in, oude Handschriften bewaard, vroeger geenerlei belangstelliling gevonden hadden. Bij nader onderzoek zal waarschijnlijk nog wel meer van dien aard voor den dag komen; want ongetwijfeld schuilen hier en daar nog onbelekende, grootere of kleinere, verzamelingen van Latijnsche Versus Proverbiales. Hierrmede toch was men in vroeger eeuwen gewoon de overgeschoten bladzijden van HSS., of ook wel de omslagen of schutbladen vol te schrijven. Tot welken leeftijijd die echter moeten gebracht worden, zal wel in de meeste gevallen hoogst moeililijk te beslissen zijn, aangezien het veelal niet blijkt of zij door de schrijvers dier I HSS. vervaardigd zijn, dan wel of zij door hen pro memoria aldaar zijn opgeteelekend. Ook zullen andere waarschijnlijk door latere eigenaars van die HSS. geschhreven en dus voor veel jonger te houden zijn. Wat mij van die spreekwoorden bekennd werd en door mij gebruikt is, bepaalt zich tot de volgende kleine mededeelinngen, die niet afzonderlijk uitgegeven, maar in Tijdschriften opgenomen zijn.: 7. Proverbia Latina. (Ex Cod. MS. publicavit H a upt.) Dit i is eene verzameling van 46 deels rijmende deels rijmlooze versus proverbiales, welke uit een Wiener Handseschrift (Philol. 413) van de XIIe eeuw medegedeeld zijn door M. Haupt, in: Altdeutsche Blätter von Hdlaupt und Hoffman, ier B. (Leipzig, 1836.) p. 10—12. Niet al die verzen echter zullen als een nieuweʻe aanwinst mogen beschouwd worden. Eenige toch van deze, t. w. 7. 35. 36. 37. 38. 39. waren reeds bibekend uit de Hpigrammata Vetera van Pithoeus, waar zij onder de Monosticha de Moribus L. I. p- 19. . gevonden worden. Zoo ook waren y. 2 en 28 reeds in 1834 door Mone in het licht gegeven uit den Cocod. Salmansw. n. 500 in den Anzeiger für Kunde der teutschen Vorzeit 3er Jhrg. p. 33. En v. 30 Was receeds opgenomen in het Proverbiorum liber, dat onder de werken van Beda Venerabilis uitgegeven is (Basisileae, 1563 F°. 8 voll.) T. II. p. 297, 8, Lateinische Bearbeitungen teutscher Sprüchwôrter. (Ex Cod. MS. publicavit Mone.) Eeneie verzameling van grootendeels rijmende Latijnsche verzen, uit een Wiener Handschrift (Rec. 3356)