OCR
XVI V. Zingerle de spreekwoorden opgezameld en onder hoofdwoorden gebracht, die in alphabetische orede gerangschikt zijn. Hierbij zijn ook de middeleeuwsche versus proverbiales opgenomen, die van tijd tot tijd door Mone in den Anzeiger waren aan het licht gebracht. Tot opheldering zijn meestal de thans vigeerende Duitsche Spreekwoorden aangewezen in de werken van Körte, Simrock en Wander. Dat hiermede echter deze arbeid, hoe lofwaardig- op zich zelve, nog niet geëindigd is, behoeft mauwelijks gezegd te worden. Reeds zijn dan ook, ter aanvulling daarvan, twee zeer belangrijke bijdragen geleverd door C. Schröder, in Herrig’s Archiv für das Studium der neueren Sprachen; de eerste verscheen in Bd. XLIII. (Braunschw. 1868) p. 411—420. Hundert niederdeutsche Sprichwörter, gesammelt aus mittelniederdeutschen und niederrheinischen Dichtungen; de andere in Bd. XLIV. (Ibid. 1869) p. 337 —344. Aber hundert niederdeutsche Sprichwörter, gesammelt aus mittelniederdeutschen wud mittelniederländlischen Dichtungen. Niet minder dienstig was mij het geschrift van Sandvoss, dat van gelijke strekking en inrichting is, doch zich slechts tot éénen schrijver bepaalt, bij wien eichter een groote rijkdom van spreekwoorden gevonden wordt.: Het heet: 2, Sprichwérterlese aus Burkhard Waldis mit einem Anhage: zur Kritik des Kurzischen B. Waldis und einem Verzeichniss von Melanclhthon gebrauchter Sprichwörter von Franz Sandvoss. Friedland, 1866. 8°. (pp. 159.) Onder het gebruik van die beide met evenveel vlijt als oordeel bewerkte registers, waaraan ik: erken nagenoeg alles verplicht te zijn, wat hier uit de oud-Duitsche geschriften door mij is medegedeeld, heb ik het menigmaal betreurd, dat tot nog toe niemand ten onzent het ondernomen heeft op gelijke wijze uit de oud-Nederlandsche schrijvers de daarin voorkomende spreekwoorden bijeen te brengen en iin eene voor het gebruik dienstige orde te rangschikken. Zulk een arbeid zou ongetwijfeld zeer belangrijke bouwstoffen opleveren voor een meer wetenschappelijk Nederlandsch Spreekwoordenboek, dan wij tot duis verre bezitten; omdat de meeste thans verouderde spreekwoorden dan eerst in hunne ware beteekenis: zullen optreden, wanneer wij kunnen zien in welk verband zij voorheen gebezigd werden; terwijl zij zonder die kennis nagenoeg raadselachtig voor ons zijn, wanneer wij ze op zich zelf staande in Verzamelingen aantreffen. Achter den Roman van’ Heinric en Margriete van Limborch (Leiden 1847) heeft de witgever Van den Bergh eene lijst geplaatst van Sprewken en Spreekwoorden in dezen Roman voorkomende, Indien dit voorbeeld navolging gevonden had bij hen die later op dat terrein gearbeid hebben, een voor wie dit eene geringe moeite zou geweest zijn, dan zou nu een vrij belangrijke voorraad bouwstoffen gereed liggen. De wensch, dat nog eens al de Spreuken en Spreekwoorden, die in de onderscheidene owd-Hollandsche stukken worden gevonden, door eene kundige hand in eenen Bundel mochten verzameld wrorden, is reeds door mij uitgesproken in mijne Verhandeling over de Proverbia Communia, ook Preoverbia Seriosa geheeten, de oudste verzameling van Nederlandsche Spreekwoorden (Leyden 1864. 4°.)) p. 32. Men wil weten, dat de gebroeders Grimm niet slechts van het nut van zoodanigen arbeid zouden ovrertuigd geweest zijn, maar dat zelfs een hunner reeds een begin zou gemaakt hebben met daarvoor op te zzamelen al wat hij van dien aard onder zijne lectuur aantrof. Zoo althans schrijft Von Zingerle in de Voorrede van zijn bovengenoemd werk: »Wilhelm Grimm gieng schon nach einer Aeusserung in seiner treefilichen „Einleitung zu Freidank (p. LXXXVII) mit dem Gedanken um, eine Sammlung von Sprichwörterrn, die wer in den Denkmälern des Mittelalters gefunden hatte, zusammenzustellen und zu veröffentlichem, Der „12e Abschnitt jener Einleitung »Ueberlieferung” und viele der Anmerkungen zu demselben Spruch«gedichte, zeigen, wie reich schon im Jahre 1834 seine Lese gewesen ist und mit welch warmerr Liebe „und feinem Verständnisse er sich dem mittelalterlichen Sprichwörterschatze und dessen Erklärumg hin„gegeben hatte. Allein andere Beschäftigungen kamen an die Reihe und hielten den unermiidlichien Gelehrten von der Ausführung seines Beginnes ab.” En reeds honderd jaren vroeger is op het belang van zulk eenen arbeid gewezen door onzen landgenoot Car. Tuinman, die in de Voorrede van het tweeede deel