OCR
IX ranggschikking is het mij meermalen gebleken dat meer nadeel dan voordeel verbonaden is; 1!) nog daargelaten het gevaar, dat men zeer licht eene verklaring van eenı ander voor die van Erasmus aanziet. HHieraan heb ik toegevoegd hetgeen van dien zelfden aard in de Collectanea Adżagiorum, maar niet in de Adagia gevonden wordt. Wel heeft Erasmus meestal zijnae vroegere verklaringen, hetzij zoo als ze waren, hetzij eenigzins uitgebreid, in zijn. grooter werk weder opgenomen: doch enkele malen heeft hij òf het geheele adaggium laten schieten òf de zinspeling op het Nederlandsche Spreekwoord weggelaaten. Daar het mij juist hierom te doen was, heb ik begrepen de Collectanea niett op zijde te mogen schuiven, al was ook de verklaring in het latere geschrift door + het voorbeeld van Erasmus uitgelokt te zijn om zich met dit onderwerp bezig te houden. — Buiten deze zijn oook nog anderen op gelijke wijze daartoe opgewekt. Zoo schreef Adrianus Barlandus Proverbialivum versuum ex principe poetarum Vergilio Collectanea (Basileae 1535. 8°.) en leidde het eerste gedeelte aldus in: Emi superiori anno Erasmi Roterodami, viri memoria nostra doctissimi et de literis optimme meriti, Adagiorum opus eruditum. In quò cum vidissem pleraque Homeri carmina ad proverbioruum rationem detorta, continuo in Marone latino Homero, idem licere putans , versiculorum ex libris Aencieidos, ceu sylvam quandam paucis sane mensibus et quidem occupatior congessi. Hetzelfde herhaalt hij inn de inleiding van het tweede gedeelte p. 52. Illud vere mihi citra omnem suspicionem arrogantiae sumerre possem, hoc argumenti a me primum excogitatum fuisse, postquam annis superioribus in manus meas s incidisset opus Adagiorum veterum Erasmi: in quo disertissimus vir ille plerosque Homeri versus ad hhume modum interpretatus est. Van vele anderen zullen wij later zien; hier zij nu nog vermeld Geoprg. Carolides a Carlsperga, wiens Symbola ex Erasmi Roterodami Chiliadibus selecta, waarin een ttal van Adagia in Latijnsche Disticha overgebracht is, gevonden wordt in de Deliciae poetarum Germmanorum P. TI. p. 206—214. Vroeger was dit geschrift uitgegeven te Praag in 1597 onder den titel van ZFarrago symbolica sententiosu perpetuis Distichis explicata et in quinque centurias tributa. 1) Om aan te toonen waarin dit nadeel bestaat , zal ik een enkel voorbeeld aanhalen; en zoo zijn er hondelerden. In de edities, waarin de adagia onder Loci Communes gebracht zijn, vindt men onder het opschhrift Contrarium philautiae, in de eerste plaats het adagium Non est beatus, esse qui se nesciat, waarv:van de verklaring aldus aanvangt: Idem in eodem opere versiculum hunc e poeta quopiam allegat comicico. Wie nu die Idem is, blijft voor den lezer een raadsel, naar welks oplossing men lang te vergeefs ; zou kunnen zoeken. Dat hier Seneca (Epist. 9. § 18) bedoeld is, blijkt eerst wanneer men de oorspronhkelijke edities, waarin de adagia in Chiliaden verdeeld zijn, naslaat. Daar toch (Chil. IV. Cent. 5. n. 4) ) volgt dit adagium op Domus recta, welks verklaring met de aanhaling van Seneca’s Brieven begint. Hoe » ver nu twee adagia, die Erasmus dadelijk op elkaar heeft laten volgen, en waarvan het tweede de aanwiÿijzing van het eerste noodig heeft, in die verhaspelde edities vaneengerukt zijn, zal uit dit zelfde voorbbeeld kunnen blijken, wanneer ik zeg, dat in de editie van Grynaeus het tweede adagium (Won est beatusis cet.) reeds op p. 385 staat, en het eerste (Domus recta) eerst op p. 1303 gevonden wordi. Tobt leering van hen die in hunne geschriften naar de Adagia van Erasmus verwijzen, veroorloof ik {mij bij deieze gelegenheid de waarschuwende opmerking te maken, dat men dit boek, waarvan zoo talrijke uitgavena bestaan, nimmer met vrucht zal kunnen citeeren bij de bladzijde ;- alle lezers zouden dan immers diezelflfde uitgaaf moeten bezitten. Wil men aanwijzen, waar een adagium staat, dan dient de Chilias, de Ceienturia en het nummer genoemd te worden. [Natuurlijk zou men deze schrijfwijze ook kunnen vereenvowudigen, indien men b. v. in plaats van de bovenstaande citatie, eenvoudig n. 3404 schrijft.] Bezit men eechter zoodanige uitgaaf niet, dan is het raadzaam dat men het adagium zelf noemt, doch zonder eigenddunkelijke verandering in de redactie te maken of de eerste woorden om te zetten. Alsdan zal ieder lezer bhet kunnen naslaan met behulp van den Index, waarvan al de edities voorzien zijn. II