OCR
VII vollde:dig was. Zijn vermoeden intusschen, dat het onderzoek eener volledige uitgaaf veebl meer dan honderd plaatsen zou opleveren, is niet slechts bevestigd, maar. ik z0u1 mij zeer moeten vergissen, indien die Geleerde niet volmondig zou willen erkeemnen, dat zijne verwachting in dezen verre overtroffen is. DDwor mijn onderzoek toch is het mij gelukt meer dan derdehalfhonderd zoodannigge plaatsen in de Adagia te ontdekken, waaronder er echter enkele zijn — ik moeet; het erkennen — die volgens het strengste recht hier niet hadden behoeven 0pgsemomen te worden, omdat daarin juist geene. Nederlandsche spreekwoorden worédien verklaard, maar slechts een of ander op zich zelf staand woord uit de moddeærne talen. Deze evenwel, omdat zij slechts gering in aantal waren, en dus gemaakkelijk konden worden opgenomen zonder den omvang van mijn boek te zeer wt itce breiden, heb ik gemeend niet te mogen achterwege laten; te minder omdat zij cdloor Erasmus op gelijke wijze vermeld en met het behandelde onderwerp in verbbaind gebracht werden. Omtegenzeglijk had nog bij veel meer adagia op een meer of min gelijkluidend spreeeikwoord in onze taal kunnen gewezen zijn, dan door Erasmus gedaan is. Dat hij cdit niet telkens gedaan heeft, waar het ons blijkt dat dit had kunnen geschigeeden, daarvan moeten wij de reden hierin zoeken, dat dit geenszins het streven van Erasmus geweest is: hij schreef immers geen schoolboek; hij schreef ook niet enkeell voor Nederlanders, maar voor de gansche geleerde wereld. Naar mijn inzien moett men aannemen dat Erasmus meestal, wanneer hij van een Nederlandsch spreeeikwoord gewaagde, slechts eene hem invallende gedachte heeft ter neder geschreewen; doch dat hij geenszins bij ieder adagium, waar zulks niet vermeld is, zijn geest zal gespitst hebben om te onderzoeken of er in zijn tijd eenig spreekwoorrdl onder zijne landgenooten bestond, dat met het door hem behandelde overeenkwanm. Wanneer alzoo Erasmus bij eenig adagium geen melding gemaakt heeft van en daarmede gelijkstaand spreekwoord in onze taal, wat wij wel in staat zouddem zijn daaraan toe te voegen, dan zal men daaruit volstrekt niet mogen besluitéem, noch dat Erasmus zulks niet gekend heeft, noch dat het in dien tijd niet bestaazan heeft. Niemand zal toch wel durven beweren, dat een van beiden toepasselijkk zou wezen op spreekwoorden als deze: Ad suum quemque quaestum, aequum est cesse callidum. — Aetate prudentiores reddimur. — Cygnea cantio. — De fructtu arborem cognoscimus. — Eandem tundere incudem. — Nemo potest »duobbus dominis servire. — Oleum camino addere. — Plures adorant solem _ oriennitem quam occidentem. — Pulverem oculis offundere. — Scindere glaciem. — | Simiia simia est, etiam si aurea gestet insignia. — Simul sorbere et flare, T diffiċcüle. — Summam manum addere. — En zoo zouden er nog wel duizend kunnen Opgernioemd worden, waarbij Erasmus een meer of min overeenkomstig Nederlandsch spreeekkwoord had kunnen vermelden doch dit niet gedaan heeft. Met zoodanige adagia heb ik mij niet ingelaten. Mijne taak bepaalde zich słechts tot het ver