OCR
XF voorkomt: doch eenige malen heeft de schrijver, om zijne verklaring duidelijk tete maken, den lezer herinnerd dat het door hem behandelde spreekwoord ook teten zijnen tijde nog onder zijne landgenooten in bijna evenzoo vele woorden in gebruibik was. Daarbij bezigt hij dan doorgaans deze of dergelijke uitdrukking: Idem dictumm hodie totidem verbis in ore est vulgo. — Quin hodie vulgo audimus. — Quiwin el hodie vulgo simile quiddam dicunt. — Durat hodieque apud vulgus haerec opinio. — Et hodie dictitant vulgo. — Quod verbum vel hodie vulgo nostraiati in ore est. — Circumfertur huic simillimum proverbium etiam hodie apwud nostrates. — Quin hodie quoque nemini non est in ore. — Huic simile quiddaram etiam nunc vulgo dicunt. — Iactatur vulgo simillimum huic. — Idem’ iocucus etiam hac tempestate durat apud idiotas. — Nostris quoque temporibus vulglgo dictitant. — Quod quidem a nostro non admodum abludit. — Idem hodiequue nostrati vulgo tritissimum manet. — Idem hodieque sic vulgatum est, ut nihihil tritius. — Manet et hodie vulgatus iocus. — Exstat et hodie vulgo tritissimmus sermo. — Idem hodieque vulgo perseverat. — Hoc etiam vulgo dicitur ab idiototis ‘nostratibus. — Hac nostra tempestate multis regionibus hoc circumfertur adagium. Zoo dikwijls nu Erasmus deze of dergelijke uitdrukkingen — want in nog grootetere dan de hier opgegevene verscheidenheid komen zij telkens voor — hetzij aan hihet begin van een adagium dat hij zal gaan verklaren, hetzij aan het einde van zijrijne verklaring, gebezigd heeft, dan mogen wij het er voor houden, dat hem telkerens Nederlandsche Spreekwoorden voor den geest gezweefd hebben, Daaruit vernemmen wij dan vooreerst, dat het spreekwoord waarop gezinspeeld wordt, niet slechts reeceds ten tijde van Erasmus bestaan heeft; maar, uitde overeenkomst met het Grieksckche of. Latijnsche adagium blijkt ten duidelijkste, dat men alsdan te doen heeft, niniet met een voortbrengsel van onzen bodem, maar met een spreekwoord dat reeeeds eenige eeuwen vroeger en elders ontstaan is. Ten anderen zullen wij door die aanduiding van Erasmus kennis kunnen makiken met eenige spreekwoorden, die ten zijnen tijde onder het volk in zwang waren, doloch die thans geheel vergeten of althans in onbruik geraakt zijn. Dat deze dus vovoor een volkomen ondergang zijn bewaard gebleven en thans nog tot verrijking v:van (I. 7. 100) voegt hij er bij: Non erat consilium in hunc ordinem admiscere proverbia theologorum, n non quod ea contemnam, sed partim quod hoc honoris habendum iudicarim sacris literis, partim quod pasassim in manibus sint. Unum tamen illud, quoniam sic adamussim ad ista quadrat, non pigebit adscribabere. Id est in Proverbiis Salomonis c. xxvi. Ferrum ferro acuitur, et homo exacuit faciem amici sui.vi. — Zoo is hij ook spaarzaam in het aanhalen van spreekwoorden uit het N. T. Meer dan eene reden ge geeft hij hiervoor op. bij de verklaring van Culicem colant. (III. 10. 91). Ex Euangelicis literis non m mihi visum. fuit plura referre, partim quod quidam poeticis nimium addicti studiis, parum venustum exiwistimant, quicquid sacras literas redoluerit: partim quod ea viderem cuigue satis exposita esse. Maxaxime wero, guod. verebar ne quis homo pius existimaret me divinis literis iniuriam facere, si eas huic opoperi subinde miscuissem, in quo non modo gentilia pleraque, verum etiam quaedam non admodum mununda. Quae nos et inviti, et quantum potuimus, tectissime retulimus, nec ea quidem omnia.